Een wereld ging voor me open: alles was groots: grote huizen, de ruimte
Elvia O’Neill-René (1931) vertelt over de eerste keer dat ze naar Nederland verhuisde.
Ik kwam naar Nederland omdat mijn man een cursus ging volgen in Nederland. Hij werkte bij de Shell, dat was in 1970. Ik was toen 39 jaar. Ik was nooit eerder hier geweest, ik ben Surinaamse dus wij gingen in de vakantie altijd naar Suriname. Ik was op Curaçao administratief medewerker in het Sanatorium van de Shell. Ook mijn vader werkte bij de Shell en werkte al met Nederlanders en dat was hem genoeg, Nederland trok hem niet. Hij woont op Curaçao. Ik was niet nieuwsgierig naar Nederland.
De cursus duurde twee jaar. Hier moet je zelf een woning zoeken, terwijl je op Curaçao hele dorpen hebt voor Nederlanders: Julianadorp en Emmastad. Hier in Nederland moesten we zelf reageren op advertenties in de krant.
Een dochter van me studeerde hier al, ze was 19 jaar en was in huis bij een neef van haar. Zij ving me op. Ze had een tijdelijke woning voor me geregeld in Delft, een huis van iemand die op vakantie was.
We moesten naar Pernis of Hoogvliet.
Mijn dochter had een auto gehuurd om me op te halen. Ik vond het allemaal groot. Mijn eerste indruk van Nederland was: “Wow!” Een wereld ging voor me open: alles was groots: grote huizen, de ruimte. Nederland is een klein land, maar het was groot. Ik keek mijn ogen uit.
Toen hebben we op advertenties gereageerd. We vonden snel een woning in Hoogvliet, binnen drie weken. Het was gemeubileerd en was ook van iemand die bij de Shell werkte en in Curaçao zat. We kenden die man niet. De persoon die erover ging was de overbuurman, hij heeft ons gehaald. Het was een aardige man, hij was getrouwd: een vrouw en twee kinderen. Hij wees ons de weg in alles: waar we brood konden halen, waar de scholen voor de kinderen waren.
We hadden vijf kinderen mee, twee waren al hier. We hebben tien kinderen in totaal, waarvan acht mijn pleegkinderen zijn. Hij was weduwnaar toen we zijn getrouwd. Ik had toen zelf al een kind en we hebben een kind samen.
Die overbuurman nam ons mee naar bezienswaardigheden: de Keukenhof, kastelen, de heksenwaag. Dat was geweldig, hij onderhield ook de tuin. Als hij daarmee klaar was liep hij door ons huis en rook de geurtjes, hij zei altijd: “Wat ruikt dat lekker”, ons eten: hij heeft diverse gerechten gegeten. Zijn vrouw hield er niet zo van, hij wel. Hij kwam uit Harlingen. Zij zijn ook nog met het hele gezin op vakantie gekomen naar Curaçao.


Voeg een reactie toe