Nu zie ik waarom die bomen hier geen bloemen hebben, en geen vruchten!
Mevrouw Dankfort (1923) vertelt over haar manier om zich Nederland eigen te maken.
Als je nagaat, ik kreeg negentig gulden in de maand en ik begon hier met elfhonderd, in de verpleging. Mijn zus zei altijd: “Hier in Holland wordt je betaald op je papieren. Hoe meer papieren je hebt, hoe meer je krijgt”. Elfhonderd kreeg ik. Dan ben ik toch gek? Toen zei mijn vader: “Nooit meer terugkomen, dat heb ik in 45 jaar op mijn werk nooit verdiend.” Dus ik heb ook de behoefte niet om te gaan. De kinderen helemaal niet, de kleinkinderen totaal niet, die kennen niemand daar.
Wat ik ook deed in de verpleging, ik ging altijd tussen de Hollandse meisjes zitten en dan te vragen: “Hoe doen jullie dit, hoe zeggen jullie dat?”
In Suriname ben ik gewend: “Zet het daar, no?! Zet het daar!” of: “Geef me dat ding no?!”. “Zou je me dat ding willen geven?” Dus dat zijn al die gewoontes. Ik volgde ze op de voet toen ze dat deden en ik bleef ze vragen waarom ze dat deden, waarom, waarom, waarom doe je dat, waarom zeg je dat?
Als je in zo’n land komt, en je ziet die dingen. De eerste dag dat ik mist zag, was in Den Dolder, ging ik naar buiten, voelen: “Hoe kan dat?” Was allemaal zo wit. En een leuke opmerking: ik kwam hier 1 januari: sneeuw, en in Suriname heb je dan het spoor, de treinen die rijden. Op de spoorbaan heb je allemaal scherp wit, wit zand. En toen zei ik tegen mijn zus, “Nu zie ik waarom die bomen hier geen bloemen hebben, en geen vruchten!” Ik stond voor het raam. “Wat is dat toch raar?! Dat komt allemaal door dat scherp zand dat jullie hier hebben, dat witte zand, jullie moeten mest erop doen”. Maar dat was sneeuw op de grond! Je staat versteld, Je kan je niet voorstellen als je in zo’n land komt, dat ze zo doen. Wat me ook opviel. Ik werd jarig en ik nodigde wat collega’s uit. Ook de directeur. Het was een gewone man, hoor, hij was directeur, maar heel gewoon. Hij kwam binnen en ik nam zijn jas aan en het eerste wat ik zei was “Hebt u al gegeten?” “Ja, ik heb al gegeten”. Toen heb ik eten opgeschept. En toen ze weg zouden gaan, alle mensen met een bakje met eten. Dat was ik zo gewoon. Dat was de gewoonte
Toen heeft hij me later gezegd, hij kon zich niet voorstellen wat ik bedoelde, “Hebt u al gegeten?”.
Zoals het koffie is onder de Nederlanders, zo is het bij ons met eten. Je mag zoveel je wilt. Eten is zo belangrijk bij ons, En wij wonen een beetje bij mekaar. Ik heb kinderen, drie kinderen wonen hier in de Bijlmer en als ze boodschappen gaan doen, komen ze hier even langs. Dus zo wonen we een beetje in Suriname. Niet naast mekaar, wel uit mekaar maar heel makkelijk bereikbaar.
En eten is zo belangrijk voor ons! Eten, eten, eten.
Toen ik hier kwam had je helemaal geen Surinaamse dingen: als je van vakantie kwam, dan moest je meenemen.
Later kwam er een man, een oude Hollander, die had een stalletje op de Albert Cuijp en die begon met Surinaamse groenten. Later pas kregen we die dingen hier. Maar het deed me niets. Wat er is, eet ik. Ik denk dat het komt door mijn grootvader. Al die dingen die hij had in Nederland, hij was gewend het binnen te brengen in huis bij ons.
Twee meisjes hebben een beetje mot met elkaar in de verpleging. Vijf minuten later zitten ze te praten met elkaar. “Hè, net waren ze… hoe kan dat?” Bij ons gaat dat niet zo. Ze blijven je in de gaten houden.
In Suriname had je van die Javaanse meisjes die kreteks rollen. Hier zag ik ook nette meisjes sigaretjes rollen.
Na de Onafhankelijkheid zijn die mensen in drommen gekomen. Ik had niet eens het plan om te blijven. Die Duitse leproloog stimuleerde mij door te gaan. Met dat doel ben ik gekomen.
Die migranten hebben een heel ander doel. Ik ben een Nederlandse; ik ben vóór de Onafhankelijkheid gekomen.
De laatste jaren zit men maar te zeuren over Suriname.
Ze noemen ons een bounty: welke idioot heeft dat bedacht?!
Aanpassen is echt het woord, het middel om te kunnen blijven.
Voeg een reactie toe